"Weer of geen weer, wij zijn op het plein"
Hoe activeer je een buurt waar veel sociale problemen zijn? Het project Meedoen Op Straat van Portes heeft een positieve insteek: met elkaar spelen, maar met duidelijke regels en afspraken. En zie: de buurt fleurt ervan op. Projectcoördinator Marlies Bosch (27) over regenbestendigheid en balkonserenades.
Portes startte het project drie en half jaar geleden in enkele Utrechtse achterstandswijken waar weinig te doen was voor kinderen en jongeren. De initiatiefnemers bedachten: als we nu eens met een bakfiets vol sport- en spelmateriaal de wijk rond gaan en op vaste plekken, bijvoorbeeld pleinen, dat materiaal ter beschikking stellen? Op twee pleinen werd gestart. Twee keer per week arriveerde de bakfiets op een vaste tijd. Stagiaires hielpen de spellen op te zetten en te spelen. Het werd een succes. Op de pleinen waar het project draait, is het leven weer teruggekeerd. Coördinator Marlies Bosch licht toe: “We zitten nu op zes pleinen in Utrecht. 15 Dagdelen per week draaien we activiteiten vanaf half vier op doordeweekse schooldagen. We bieden voor elk wat wils: vanaf kinderen van zo’n 3 jaar tot pubers van 18. Gelukkig hebben we een groot team van 65 stagiaires, 5 beroepskrachten en 5 sportondersteuners.”
Wat is de reden voor het succes?Marlies: “Wij hebben sporten en spelen als positief middel ingezet om vroegtijdig problemen, maar ook kansen te signaleren. Door steeds op vaste tijden en consequent aanwezig te zijn, weten bewoners dat je er bent. Door de kinderen en jongeren krijgen we ook contact met ouders. Dat bouwt na verloop van tijd een vertrouwensrelatie met bewoners op. We kunnen daardoor meer doen dan spelen alleen.”
Kun je beschrijven hoe het op zo’n dag gaat?Marlies: “Heel eenvoudig: we gaan naar een plein met de bakfiets vol spullen. Stagiaires bieden de kinderen daar bepaalde spellen aan of verzinnen activiteiten met het materiaal. Er worden strakke regels gehanteerd: niet schelden, schoppen of slaan, je hebt respect voor iedereen. En als kinderen zich daar niet aan houden, wordt er ook gereageerd. En ja, er vinden ook incidenten en kleine conflicten plaats, maar dat is juist goed.”
Hoezo, jullie moeten toch juist de vrede een beetje bewaren?
Marlies: “Een voorbeeld: een keer was een jongetje gewoon heel vervelend bezig. Heel vaak had een van de stagiaires hem al gecorrigeerd, en hij bleef maar kwallen. We hebben hem toen weggestuurd. Even later mengde de vader zich vanaf zijn balkon in het conflictje. Begon te schreeuwen en te dreigen: “Hoe haal je het in je hoofd om Mijn Zoon …” een regen aan scheldwoorden, enzovoort. We zijn steeds met hem blijven praten. Uitgelegd waarom we zijn zoon hadden weggestuurd. Het heeft weken geduurd voor hij ons weer groette, maar we hebben steeds contact met hem gezocht. Nu is dat weer goed, en loopt het weer lekker. Als er iets mis gaat, is het dus voor ons juist goed. Dan kun je wat meer betekenen, in gesprek gaan met de kinderen en jongeren en de buurt.”
Wat kun je nog meer doen in zo’n project?Marlies: “We hebben ook een signaleringsfunctie in de buurt. Als er wat mis is, hoor je het op deze manier eerder, en kunnen we instanties ook tijdig inseinen. We helpen jongeren in de buurt bijvoorbeeld ook aan stageplaatsen, en zo adviseren we wel meer. Het gaat allemaal losjes, tussen de bedrijven door, niks formeels.”
Wat doe je als coördinator?“Ik ben er verantwoordelijk voor dat alle groepen lekker draaien. Dat betekent dat ik met alles en iedereen overleg, met de eigen groep, maar ook met instanties eromheen, gemeente, buurtwerkers, wijkagenten, GGD, noem maar op. Zij weten dat we er zijn, en kunnen daar ook gebruik van maken. Ik ben zelf niet meer actief op de pleinen, maar vind het nog steeds erg leuk om het project te doen.”
Wanneer eindigt zo’n project?Marlies, lachend: “Tsja, moeilijke vraag. Op sommige pleinen loopt het zo goed, dat je zou zeggen: draag de spullen over aan de bewoners en ga je richten op andere buurten met sociale problemen. Maar in een buurt komen steeds weer nieuwe mensen, die ook nieuwe problemen met zich meebrengen. Je merkt dat het dan goed is om er toch bij te zijn. Misschien moeten we bijvoorbeeld een mix maken: zelf minder vaak komen, en meer overlaten aan de bewoners.” Tot slot: als je in zo’n project wil werken, wat moet je dan voor iemand zijn? In ieder geval niet denken dat je op leuke hakschoentjes zo’n dag volhoudt. We gaan altijd, weer of geen weer, dus het is niet van: het regent een beetje, we blijven maar binnen. Je moet wel een beetje regenbestendig zijn. Het is veel buiten willen zijn, creatief zijn met spellen en kinderen en jongeren, maar ook streng en doortastend kunnen zijn: lef hebben, op mensen af durven stappen als het mis gaat. En daarnaast heel flexibel kunnen zijn, geen nee zeggen, ook als je niet direct een goed idee hebt.”
>> meer verhalen van collega's